De eerste maanden Kopenhagen

Ik schreeuw zo hard als ik kan. Onze oudste fietst naast me en schreeuwt ook. We moeten uitwijken naar de drukke autoweg. Op het laatste moment, ziet de bestuurder ons. Ik sta te trillen op mijn benen. Druk gebarend stapt hij uit. ‘Unskyld, unskyld’ (sorry, sorry). De rest kan ik niet verstaan. Meteen begrijp ik waarom vrijwel alle Denen een fietshelm of fiets-airbag dragen. Ineens voel ik me zo kwetsbaar met de kinderen op de fiets.

Martine uit Vleuten is stress en burn-out coach en woont (tijdelijk) met haar gezin in Kopenhagen. Ze houdt zich bezig met het thema work-life-balance en blogt regelmatig voor LRM. 
www.martinedeinum.nl | www.work-life-balance.nl

We wonen sinds augustus dit jaar in Kopenhagen. Ondanks dat ik in het begin allerlei – toen nog heel reëel klinkende – bezwaren had om geen helm te dragen: ‘Het staat me niet’, ‘Mijn haar ziet er niet uit als ik zo’n ding op mijn hoofd heb gehad’, besluit ik dan toch maar om met helm te fietsen. Ik wil vooral dat de kinderen er eentje dragen en noodgedwongen geef ik het goede voorbeeld.

Alles is hetzelfde én anders

Qua omgeving valt de verhuizing ons reuze mee. Kopenhagen is een prachtige stad met vriendelijke mensen. Zoals de jongste in de eerste week treffend zei: ‘Alles ziet er hetzelfde uit als thuis, alleen de taal is anders.’ Zo is het ook. We voelen ons snel thuis. Het uitzicht op zee geeft iedere dag weer een vakantiegevoel. En tegelijkertijd is alles anders; andere taal, nieuwe woonplek, nieuwe school voor de kinderen, internationaal onderwijs, Ruud een nieuwe baan, mijn werk anders inrichten, alle regelzaken en een nieuw sociaal leven opbouwen.

Pieken en dalen

De eerste 2,5 maand zijn hectisch. Pieken en dalen. De jongste vindt de overgang naar Engels op school lastig en moet wennen aan het nieuwe onderwijs. Het is begin september. Vandaag zijn we verhuisd binnen Kopenhagen. Onze spullen zijn met de container aangekomen. Oververmoeid wachten we op de kinderen die uit school komen. Juf van de jongste zegt dat hij een lastige dag had. Wanneer een andere ouder er naar vraagt, begin ik te huilen. De tranen blijven maar komen. Ik wil zo snel mogelijk naar huis. Nu meteen. Op het schoolplein neem ik een omweg om geen bekenden tegen te komen. Geen zin om nu te socializen.

De dag dat alles misging

Ah fijn, daar staat onze auto. We rijden nog in de Nederlandse auto, wat eigenlijk niet meer mag omdat we al een maand staan ingeschreven in Denemarken. De jongste gaat voorin bij mij op schoot. De achterbank ligt vol met de zojuist aangeschafte stellingkasten. We zouden nog langs huis gaan om ze eruit te halen, maar door onverwachte file lukte dat niet meer. Het is maar 5 minuten rijden naar huis. Bij de tweede verkeerslichten gebaart een vrouw vanuit de auto naast ons dat iets niet ok is. ‘Negeren en gas geven’, roep ik. Op het moment dat de vrouw een blauwe zwaailamp tevoorschijn haalt, weet ik genoeg. ‘Stop toch maar…’. Ook dat nog. Volgens de politie is de overtreding ernstig genoeg om een rijbewijs in te nemen. Maar omdat we toeristen zijn (ik weet niet hoe snel ik de pas van school van mijn nek moet halen), komen we er met een waarschuwing vanaf. Ik moet uitstappen met de jongste en samen zitten we aan de kant van de weg. Te wachten tot we worden opgehaald. Opnieuw tranen.

Als we in de avond even snel wat eten halen, staat ons nog een verrassing te wachten. Een briefje wappert onder de ruitenwisser van de voorruit. Shit. Wat een dag. Ik weet niet of ik moet huilen of moet lachen. Dit verzin je toch niet. Deze dag komt niet meer goed. Snel naar bed. Morgen weer een nieuwe dag.